Press "Enter" to skip to content

Horatius

Hebben wij ooggetuigen uit het oude Rome? Ja, Horatius beschrijft Rome! Dat wil zeggen, hij maakt een wandeling over de Sacra Via in het centrum van de stad. Niet dat de lezer veel te weten krijgt over de locatie en architectuur, maar toch… Het is ong. 40 voor Christus en iemand vertelt ons live zijn belevenissen op een van de oudste straten van de wereld…

Satire 1.9

De schrijver ontmoet op de Via Sacra een man die een klever blijkt te zijn.
560 woorden, 78 regels, gem. 7,2 woorden per regel

Ibam forte Via Sacra, sicut meus est mos, 
nescio quid meditans nugarum, totus in illis. 
Accurrit quidam notus mihi nomine tantum
arreptaque manu, “Quid agis, dulcissime rerum?” 
“Suaviter, ut nunc est,” inquam “et cupio omnia quae vis.” [5]

Ik liep eens over de Heilige Weg, wat ik wel vaker doe,
met iets onbenulligs in gedachten, maar wel volledig daarin verzonken.
Komt me daar iemand op mij afgerend, die ik alleen van naam ken.
Hij schudt mij de hand: “Beste kerel, hoe gaat het met je?”
“Tot nu toe lekker”, zei ik, “en jou wens ik het beste toe.”

Cum adsectaretur, “Numquid vis?” occupo. At ille
“Noris nos,” inquit, “docti sumus.” Hic ego “Pluris
hoc”, inquam, “mihi eris.” Misere discedere quaerens
ire modo ocius, interdum consistere, in aurem
dicere nescio quid puero, cum sudor ad imos [10]
manaret talos. “O te, Bolane, cerebri
felicem”, aiebam tacitus, cum quidlibet ille
garriret, vicos, urbem laudaret.

Toen hij met mij opliep, was ik hem voor: “Nou, wat wil je van me?” –
“Je moet me toch kennen, van de opleiding…” Waarop ik antwoordde:
“Mijn ontzag kan niet op.” Ik wilde hem heel graag kwijt
en liep ‘ns harder of bleef dan weer staan. In het oor
van m’n slaafje sprak ik zomaar iets;[1] het zweet gutste diep
tot op m’n enkels. “Ach, Van Bilthoven,[2] was ik maar zo’n heethoofd
als jij!” zei ik tegen mezelf. En hij maar over alles en nog wat
kletsen, vol lof over de straten en de stad.

                                                                          Ut illi
nil respondebam, “Misere cupis” inquit ‘abire,
iamdudum video, sed nil agis; usque tenebo. [15]
Prosequar hinc quo nunc iter est tibi.” – “Nil opus est te 
circumagi. Quendam volo visere non tibi notum;
trans Tiberim longe cubat is, prope Caesaris hortos”. – 
“Nil habeo quod agam et non sum piger; usque sequar te.”

                                                                             Toen hij van mij
geen antwoord kreeg, zei hij: “Je wilt heel graag dat ik wegga.
Ik heb dat al een tijd door. Je doet er niets aan, ik houd vol
en blijf bij je. Waar gaat het naartoe van hier?” – “Je hoeft geen
omweg te maken. Ik wil iemand bezoeken die jij niet kent,
voorbij de Tiber, bij het Keizerplantsoen.[3] Hij is al een tijdje ziek.” –
“Ik heb niets te doen, ben heel sportief, ik loop met je op.”

Demitto auriculas, ut iniquae mentis asellus, [20]
cum gravius dorso subiit onus. Incipit ille: 
 “Si bene me novi, non Viscum pluris amicum, 
non Varium facies. Nam quis me scribere pluris 
aut citius possit versus? Quis membra movere 
mollius? Invideat quod et Hermogenes ego canto.” [25]

Ik laat m’n oren hangen als een nijdig ezeltje
dat een te zware last op de rug krijgt. En dan begint hij:
“Als ik me niet vergis, zul je niet Viscus,[4] niet Varius[5] 
liever als vriend willen hebben. Wie kan immers meer
of sneller verzen schrijven, wie sierlijkere danspassen
maken dan ik? Zoals ik zing, maakt zelfs Hermogenes[6] jaloers.”

Interpellandi locus hic erat: “Est tibi mater,
cognati, quis te salvo est opus?” – ”Haud mihi quisquam;
omnis composui”. Felices! Nunc ego resto.
Confice. Namque instat fatum mihi triste, Sabella
quod puero cecinit mota divina anus urna: [30]

Dit is mijn kans hem te onderbreken: “Heb jij een moeder,
familie misschien die jou graag in leven ziet?” – “Ik heb niemand,
ik heb ze allemaal afgelegd.” Bofkonten! Alleen ik ben er nog.
Sla toe! Mij wacht nu het droevig lot dat die Sabijnse opoe
mij in m’n jeugd voorspelde na het wrijven over de glazen bol:

“Hunc neque dira venena nec hosticus auferet ensis 
nec laterum dolor aut tussis nec tarda podagra:
garrulus hunc quando consumet cumque. Loquaces,
si sapiat, vitet, simul atque adoleverit aetas.”

“Vreselijk gif noch een belager zal met z’n zwaard hem koud maken,
ook niet longontsteking, kinkhoest of sluipend artrose –
deze jongen zal eens door een kletsmajoor worden afgemaakt.
Hij doet er verstandig aan die te mijden, als hij ouder is geworden.” 

Ventum erat ad Vestae, quarta iam parte diei [35] 
praeterita, et casu tunc respondere vadato 
debebat; quod ni fecisset, perdere litem. 
“Si me amas”, inquit, “paulum hic ades”. – “Inteream si 
aut valeo stare aut novi civilia iura, 
et propero quo scis.” – “Dubius sum quid faciam”, inquit, [40]
“te ne relinquam an rem.” (Me, sodes!) “Non faciam”, ille 

We waren nu bij de Vestatempel[7] en de klok had reeds negen uur
geslagen. Laat hij nu gedagvaard zijn en voor de rechter
moeten verschijnen! Deed hij dat niet, verloor hij de rechtszaak.
“Doe me een lol”, zei hij, “help me nu een handje.” – “Al sla je me dood,
ik kan niet blijven en heb geen verstand van rechtzaken.
En ik moet nodig naar… je weet wel.” – “Tja, wat te doen?”, zei hij,
“Laat ik jou of het proces schieten?” (Mij, alsjeblieft!) “Nee, dat niet.”

et praecedere coepit. Ego, ut contendere durum 
cum victore, sequor. “Maecenas quomodo te cum?” 
hinc repetit, “Paucorum hominum et mentis bene sanae. 
Nemo dexterius fortuna est usus. Haberes [45]
magnum adiutorem, posset qui ferre secundas, 
hunc hominem velles si tradere. Dispeream, ni 
summosses omnis.”

Hij begon voor mij uit te lopen. Het is moeilijk vechten, als de ander
wint, en ik ga mee. – “Hoe is jouw relatie met Maecenas?”
gaat hij verder. “Hij gaat met weinig mensen om. Verstandig.
Je hebt het maar goed getroffen. Je zou aan mij
geweldige steun hebben: ik zou goede tweede kunnen zijn,
als je hem aan mij zou willen uitleveren. Ik durf te wedden
dat je iedereen bent gepasseerd…” –

                                             “Non isto vivimus illic 
quo tu rere modo. Domus hac nec purior ulla est 
nec magis his aliena malis. Nil mi officit”, inquam, [50] 
‘ditior hic aut est quia doctior; est locus uni 
cuique suus.” – “Magnum narras, vix credibile.” “Atqui 
sic habet.” “Accendis, quare cupiam magis illi 
proximus esse.” “Velis tantummodo, quae tua virtus, 
expugnabis. Et est qui vinci possit, eoque [55] 
difficilis aditus primos habet.” – “Haud mihi deero: 
muneribus servos corrumpam. Non, hodie si
exclusus fuero, desistam; tempora quaeram; 
occurram in triviis; deducam. Nil sine magno 
vita labore dedit mortalibus.”

                                                                  “We gaan daar niet zo
met elkaar om, zoals jij denkt. Onze relatie is keurig, kan niet beter,
en volkomen vrij van intriges. Mij kan het niet schelen, nooit,
of iemand rijker of knapper is; een ieder heeft zo
zijn eigen ding.” – “Wat een verhaal, ongelooflijk!” – “Toch…
het is zo.” – “Je motiveert me nog meer om héél
dicht bij hem te zijn.” – “Animo genoeg, je hebt het in je
om je een plek te veroveren. Hij laat zich graag overtuigen, daarom
maakt hij een eerste kennismaking lastig.” – “Ik ga m’n best doen,
ik zal z’n slaven met presentjes omkopen. Als ik vandaag aanklop[8]
en niemand opendoet, geef ik niet op. Ik zoek m’n moment,
loop hem op straat tegen het lijf, breng hem thuis. Een mens
krijgt in zijn leven niets kado.”

                                                              Haec dum agit, ecce [60]
Fuscus Aristius occurrit, mihi carus et illum 
qui pulchre nosset. Consistimus. “Unde venis?” et 
“Quo tendis?” rogat et respondet. Vellere coepi 
et pressare manu lentissima bracchia, nutans, 
distorquens oculos, ut me eriperet. Male salsus [65]
ridens dissimulare, meum iecur urere bilis.

                                                          Hij gaat stug door, maar zie!,
Aristius Fuscus[9] komt op ons af, mij na aan het hart. Hij zou de man
goed moeten kennen. We blijven staan. – “Waar kom je vandaan?”
“Waar ga je naartoe?” Vraag en antwoord. Ik trek hem aan z’n vest,
pak hem bij de armen, die me niet begrijpen. Ik schud m’n hoofd,
laat m’n ogen rollen, hopelijk bevrijdt hij me. De flauwerd
lacht voor zich uit, reageert niet. Ik kóók van woede.

“Certe nescio quid secreto velle loqui te 
aiebas mecum.” – “Memini bene, sed meliore 
tempore dicam. Hodie tricesima sabbata. Vin tu 
curtis Iudaeis oppedere?” – “Nulla mihi”, inquam, [70] 
“religio est.” – “At mi. Sum paulo infirmior, unus 
multorum. Ignosces, alias loquar.”

“Je wilde vast iets onder vier ogen met mij bespreken,
zei je me laatst.” – “Dat klopt, maar nu schikt het niet,
ik vertel het je later. Het is vandaag de dertigste, rustdag.
Je wilt toch niet besneden Joden kwetsen?”[10] – “Ik ken”, zei ik,
“geen schroom.” – “Ik wel. Ik sta niet zo sterk in m’n schoenen en
met mij vele anderen. Sorry, ik spreek je een andere keer.”

                                                                     Huncine solem 
tam nigrum surrexe mihi? Fugit improbus ac me 
sub cultro linquit. Casu venit obvius illi 
adversarius et “Quo tu, turpissime?” magna [75]
inclamat voce, et “Licet antestari?” Ego vero 
oppono auriculam. Rapit in ius. Clamor utrimque, 
undique concursus. Sic me servavit Apollo. 

                                                                                                Wat is het
een zwarte dag voor mij geworden! De klootzak smeert ‘m
en levert mij uit aan het mes.[11] Geluk bij een ongeluk: z’n opponent
komt ons tegemoet.[12] “Waar gaat dat heen, schurk?” roept hij
duidelijk hoorbaar. En tegen mij: “Wil jij mijn getuige zijn?”[13]
Ja! Dát heb ik gehoord. Voor de rechter ermee![14] De twee maken ophef
en er is veel bekijks. Zo leef ik nog… Ik dank Apollo.[15]

Voetnoten

[1] Iemand van stand liep niet alleen door de stad, maar liet zich door personeel begeleiden.

[2] De Latijnse tekst heeft het over Bolanus, ‘man van Bola’, een gehucht in Latium.

[3] Het gaat hier om de Horti Caesaris, een plantsoen op de Ianiculus, door Iulius Caesar aan het volk van Rome bij testament geschonken (vgl. Suetonius, Vita Caesaris 83).

[4] Een van de twee zonen van Vibius Viscus, een eques en vriend van keizer Augustus.

[5] Lucius Varius, episch en tragisch dichter, heeft samen met Plotius het werk van Vergilius na diens dood uitgegeven (vgl. Sat. 1.5.40 en opm. daar).

[6] Een zanger, vrijgelaten slaaf van Tigellius, de Sardijn (vgl. Sat. 1.10.18).

[7] In welke richting lopen de twee? Als de schrijver zegt op weg te zijn naar de Ianiculus, is het aannemelijk dat de Sacra Via in noordwestelijke richting (naar het Capitolium) wordt afgelopen.

[8] De klever wil als cliens (‘afhankelijke’) in de gratie staan bij zijn patronus (‘beschermheer’).

[9] Collega-dichter en groot vriend van de schrijver.

[10] In de Latijnse tekst wordt het werkwoord oppedere gebruikt, ‘een wind (in iemands gezicht) laten’.

[11] Het werktuig van de beul.

[12] Het onmiddellijk gevolg van wat in rr. 36-37 is gemeld.

[13] De aanklager wil niet beticht worden van geweld en vraagt om getuigen, die kunnen bevestigen dat hij zijn opponent op een nette manier voor de rechter daagt.

[14] Het Latijn maakt melding van een ritueel waarbij een getuige bij de oorlel wordt gepakt en zo van straat wordt geplukt.

[15] Natuurlijk! Hij is de beschermheer van de dichtkunst en… keizer Augustus woonde op de Palatijn pal naast de tempel van Apollo.

Pagina: 1 2 3

Be First to Comment

Geef je reactie