Press "Enter" to skip to content

Romeinse wegen

De Romeinse strategen zagen reeds vroeg het belang in van een goed functionerend wegenstelsel. De economie had er baat bij en het leger kon zich snel verplaatsen. Vanaf de late vierde eeuw vóór Christus heeft het Romeinse wegenstelsel zich snel uitgebreid. Dit zijn de belangrijkste wegen op het vasteland van Italië: (via) Aemilia, Aemilia Scaura, Appia, Aurelia, Cassia, Flaminia, Salaria.

De wegen die door de staat werden aangelegd en onderhouden heetten viae publicae (‘openbare wegen’), de wegen die over private grond werden aangelegd viae agrariae (‘akkerwegen’) of privatae (‘eigen wegen’). De openbare wegen kregen classificaties mee, zoals bijv. viae consulares (‘consulaire wegen’).

Marcus Vitruvius Pollio (tweede helft eerste eeuw vóór Christus) begint hoofdstuk 7 van zijn handboek De Architectura  (‘over bouwkunst’) met een uiteenzetting over de aanleg van wegen. Kort gezegd komt het erop neer dat twee geulen (sulci) parallel aan elkaar werden gegraven, waarbinnen al het losse materiaal werd verwijderd, totdat de stevige ondergrond (gremium) was bereikt. De opengevallen ruimte werd dan met drie verschillende lagen steen, eventueel vermengd met potscherven, opgevuld. De vierde en laatste laag kreeg een licht bollend oppervlak om bij regen het water vanuit het midden van de weg naar de zijkanten af te voeren. Deze laag bevatte nauwkeurig in elkaar passende, polygonale dekstenen, het zogeheten pavimentum.

Via Biberatica met oorspronkelijk pavimentum (Forum Traiani, Rome).

De Via Salaria geldt als de oudste, door Romeinen aangelegde weg. De moderne SS4 (strada statale 4) volgt grotendeels nog steeds de oorspronkelijke route vanuit de hoofdstad naar Porto d’Ascoli (gelegen aan de Adriatische Zee), Castrum Truentinum in de oudheid. De historie meldt dat de oude volksstam van de Sabini (Sabijnen) vanuit het noorden naar Rome kwamen om zout (Lat. sal) te winnen bij de monding van de Tiber.

De Porta Salaria in een gravure van Giuseppe Vasi (situatie ca. 1750; bron: romasparita.eu).

De Via Salaria bestaat als naamsaanduiding nog steeds in Rome. Het is een lange, drukke straat met winkels en eetgelegenheden, die vanaf Piazza Fiume  strak naar het noorden voert om in de wijk Parioli naar het noordoosten af te buigen en de stad achter zich te laten.

Enkele schamele restanten van de Porta Salaria in de Aureliaanse muur zijn nog zichtbaar op de hoek Via Piave – Corso d’Italia. De poort zelf heeft in 1870 zwaar te lijden gehad tijdens het beleg van Rome door troepen van Garibaldi. De in 1873 herbouwde poort is weer in 1921 gesloopt om aan het groeiende verkeer ruim baan te geven.

Beroemd is de Via Appia, vernoemd naar consul Appius Claudius Caecus (‘de blinde’), die in het jaar 312 vóór Christus een weg liet aanleggen vanuit Rome naar Capua. In datzelfde jaar was hij tevens de initiatiefnemer tot de bouw van de Aqua Appia, het aquaduct.

Et censura clara eo anno Ap. Claudi et C. Plauti fuit; memoriae tamen felicioris ad posteros nomen Appi, quod viam munivit et aquam in urbem duxit (…)
‘Het censorschap in dat jaar van Appius Claudius en Gaius Plautius is glansrijk geweest. Niettemin is Appius’ naam in de herinnering van latere generaties beter blijven hangen, omdat hij een weg heeft aangelegd en water naar de stad heeft geleid (…)’
(Livius, AUC 9.29)

De aanleg van de weg zal zich over meerdere jaren hebben uitgestrekt. Uiteindelijk is hij doorgetrokken tot Brundisium (huidig Brindisi). Het totale traject is in 264 vóór Christus gereedgekomen en had een lengte van bijna 550 kilometer. Aan de dichter Statius (Silvae, 2.2.12) dankt de weg zijn bijnaam longarum regina viarum, ‘koningin van de snelwegen’. 

Milia tum pransi tria repimus atque subimus
inpositum saxis late candentibus Anxur.
‘Na het ontbijt sjokken we drie mijlen verder en komen aan
onder Anxur, dat ligt op witte rotsen die in de verte blinken.’
(Horatius, Sat. 1.5, rr. 25-26; met Anxur  wordt de plaats Terracina bedoeld)

De enige uitgebreide beschrijving die wij uit de oudheid over de Via Appia hebben, stamt van de dichter Quintus Horatius Flaccus. In een van zijn satiren (1.5; het hele gedicht kun je hier lezen) vertelt hij van zijn reis met enkele vrienden van Rome naar Brundisium. Hij doet er dertien dagen en 104 dichtregels over.

Inde Rubos fessi pervenimus utpote longum
carpentes iter et factum corruptius imbri.
‘Daarna zijn wij in Rubi aangekomen, doodop, want lang 
was de weg die wij namen, en door regen tamelijk onbegaanbaar.’
(Horatius, Sat. 1.5, rr. 94-95; het is de tiende dag van de reis; Rubi is het huidige Ruvo di Puglia)

De Via Cassia was de weg die Rome via Arretium (huidig Arezzo) en Florentia (huidig Florence) verbond met Luna (huidig Ortonovo, ten noord-westen van Carrara). In die laatste plaats voegde de weg zich bij de Via Aurelia. De moderne SS2 (strada statale 2) die o.a. door het dal van de Orcia voert en in de volksmond ‘Via Cassia’ heet, komt slechts gedeeltelijk overeen met de oude straatweg.

De Via Aurelia was de grote weg die hoofdzakelijk de kustlijn van de Tyrrheense Zee volgde en grote delen van Etrurië doorkruiste. In latere tijd werd de weg vanuit Luna doorgetrokken tot diep in zuid-Frankrijk bij Forum Iulii (huidig Fréjus). De weg werd onder toezicht van censor Gaius Aurelius Cotta gebouwd in 241 vóór Christus. Door de ineenstorting van de Ponte Morandi over de rivier Polcevera bij Genua (14 augustus 2018) is de Via Aurelia, de huidige SS1, volop in de aandacht gekomen: de oude verkeersader moet nu weer alle verkeer opvangen.

In 187 vóór Christus liet consul Marcus Aemilius Lepidus een weg aanleggen vanuit Ariminum (huidig Rimini) naar Placentia (huidig Piacenza) die zijn naam ging dragen: Via Aemilia. Het is bekend dat de weg en op het traject liggende bruggen restauraties ondergingen in de tijd van keizer Augustus en keizer Traianus. De Italiaanse regio Emilia Romagna dankt haar naam aan de oude weg die door dit gebied liep.

Deze weg kreeg in 109 vóór Christus uitbreiding door een weg die vanuit Placentia in een lange krul, eerst westwaarts en dan zuidwaarts, naar Pisae (huidig Pisa) werd doorgetrokken. Naar zijn opdrachtgever, censor Marcus Aemilius Scaurus, droeg de weg voortaan de naam Via Aemilia Scaura.

De Via Flaminia is aangelegd onder censor Gaius Flaminius in 220 vóór Christus. Titus Livius (AUC 39.2, einde) laat ons weten we dat Gaius Flaminius Bononia met Arretium door een weg verbond. Dit lijkt eerder een beschrijving van de Via Cassia. De schrijver vergist zich en heeft de aanleg abusievelijk toegeschreven aan Gaius Flaminius de jongere, de consul van het jaar 187 vóór Christus.

De Via del Corso in het centrum van de stad volgt waarschijnlijk het begin van de weg. Het tracé binnen de stadsmuren kreeg de naam Via Lata, ‘brede weg’. Vanuit het noorden van Rome (nog steeds heet de noordelijke poort van de stad ‘Porta Flaminia’) leidde de Via Flaminia naar Ariminum (huidig Rimini) aan de Adriatische kust. Halverwege de route kon de reiziger kiezen tussen twee vertakkingen.

Het belang van de weg laat zich aflezen aan de aanstelling van een curator viarum (inspecteur van openbare wegen) in 65 vóór Christus en de herstelwerkzaamheden onder keizer Augustus in 27 vóór Christus.

Een uitgebreid verslag over een wandeling langs de Via Flaminia en haar monumenten is door Bill Thayer opgesteld.