Press "Enter" to skip to content

Centrale Montemartini

Aan de Via Ostiense 106  wijst een spandoek boven een metalen poort de weg naar een van de meest opmerkelijke musea in Rome. Het terrein herbergt de oorspronkelijke elektriciteitsfabriek van de stad, de Centrale Montemartini. De fabriek waar stroom werd opgewekt met gigantische op diesel gedreven turbines (de geur van olie is nog vagelijk waarneembaar), lag een tijd lang er ongebruikt bij en heeft nu een nieuwe bestemming gekregen.

Ingang van de Centrale Montemartini aan de Via Ostiense (foto: Google Maps).

De centrale werd ingewijd in 1912 en ging de naam dragen van Giovanni Montemartini, wetenschapper en gemeentelijk adviseur openbare werken in Rome. Achter de Monte Testaccio werd buiten de stadsmuren van het klassieke Rome een plek gevonden voor een complex om energie voor de hele stad op te wekken. De nabije ligging van de Tiber en de spoorwegen bood de geschikte infrastructuur. De machines, diesel- en stoomturbines, werden geleverd door de fabriek van Franco Tosi (zijn naam kom je overal in het museum nog tegen).

De centrale raakte na een halve eeuw in verval en sloot zijn deuren in 1963. De huidige energiemaatschappij ACEA zocht een andere bestemming voor het complex. In 1995 is men begonnen kunstvoorwerpen uit de collecties van de Capitolijnse musea, die een grote renovatie ondergingen, hier onder te brengen. Dat zou tijdelijk zijn, maar in 2005 is besloten de uitgeleende kunst er te laten blijven.

Sala Macchine met de machines uit de fabriek van Franco Tosi.

De gemeente zat met haar handen in het haar, omdat steeds duidelijker werd dat de collectie antieke sculpturen in bezit van het Museo Nazionale Romano in depots en achterafkamertjes stonden te verpieteren. Voor al dat moois ontbrak de museale ruimte, totdat de Centrale Montemartini prachtige faciliteiten kon bieden. In 1997 opende de fabriek weer zijn deuren, nu als museum. Het moet gezegd, het was een gedurfd concept en het is voor de bezoeker even wennen: midden tussen de turbines loop je langs prachtige marmeren sculpturen uit de oudheid. Een eerste keer zal het je een desoriënterend gevoel geven.

Portretbuste van keizer Caracalla (Sala Macchine).

De begane grond, de Sala Colonne (‘zuilenzaal’), jammer genoeg donker ingericht, toont een selectie van kunstvoorwerpen uit de republikeinse tijd, d.w.z. de periode tot het eind van de eerste eeuw vóór Christus. Hier liggen de vondsten (gedaan aan het einde van de 19de eeuw) van een groot grafveld op de Esquilinus uitgestald. Orfeus, gezeten tussen de dieren (tufsteen, tweede eeuw vóór Christus, in 1878 gevonden bij de San Lorenzo basiliek), zingt je betoverend toe. Er zijn niet veel meubels uit de oudheid over, maar hier staat een pronkbed, misschien gebruikt bij het triclinium.

Hoofd van jongeman, kopie naar Hellenistisch origineel, Pentelisch marmer (Sala Macchine).

Je kunt er oog in oog staan met de man in toga uit de collectie der Barberini (togato Barberini): een patriciër houdt de portretten van twee van zijn maiores, voorouders, in zijn handen; rijke Romeinen hadden de gewoonte maskers af te nemen van hun overleden familieleden om vol trots hun genealogie te kunnen tonen. Verder heb je nog de bustes van Caesar (in 1874 gevonden op de Esquilinus), Marcus Antonius (of censor Cato, gevonden op het Comitium op het Forum Romanum in 1941), Caracalla (in 1933 gevonden bij de Via dei Fori Imperiali) en Augustus (vondst uit 1937).

Diskoforos (Gr. δισκοφόρος), ‘drager van de discus’, in de Sala Macchine.

In de hoofdzaal, Sala Macchine (‘zaal van de machines’), is de beeldengroep van het tympanon van de tempel van Apollo Sosianus (ten noorden van het Theater van Marcellus; alleen drie zuilen op een hoek van de tempel staan er nog ter plekke) gereconstrueerd. Deze stelt een amazonomachie voor, een gevecht tussen Grieken en amazonen; Herakles en Theseus nemen deel aan het gevecht, de godinnen Athena en Nikè kijken toe. Maak een ronde langs de machines die hier staan en je maakt kennis met marmeren beelden en bustes van Griekse herkomst of Romeinse kopieën daarvan. Van Agrippina Minor (‘de jongere’), moeder van keizer Nero, vind je niet vaak portretten, maar hier staat een levensgroot beeld van haar (in 1885 gevonden op de Caelius), voorgesteld als priesteres (zij heeft haar mantel over haar hoofd geslagen). Een buste van Antinoös, beschermeling van keizer Hadrianus, heeft hier ook een plaats gekregen. Vele stukken zijn afkomstig van een villa uit de eerste eeuw die bij wegwerkzaamheden aan de Via dei Fori Imperiali in 1933 aan het licht is gekomen.

Portretbuste van een legeraanvoerder, kopie naar Grieks origineel uit de vijfde eeuw vóór Christus (Sala Caldaie).

De zaal van de stoommachines, Sala Caldaie, bevat onder meer originele Griekse kunstvoorwerpen die gevonden zijn in diverse horti (villa’s met parken) die het oude Rome telde. De meest bekende zijn de Horti Sallustiani. Op de vloer ligt een mozaïek uit de Santa Bibiana (kerkje aan de Via Giolitti achter het spoorwegemplacement van Stazione Termini; dit was het gebied van de horti Liciniani) waarop een tafereel uit de jacht is te zien.

Pothos, godin van ‘verlangen’ (Sala Caldaie).

Van de Griekse beeldhouwer Skopas staan hier twee beelden die Pothos (Gr. πόθος, ‘verlangen’) voorstellen: dromerig kijken zij voor zich uit. Ergens in een hoekje vechten een satyr, in duidelijke staat van opwinding, en een nimf; hij klemt haar vast van achteren, zij moet niets van zijn avances hebben en duwt met haar arm zijn hoofd van haar weg.

Satyr in gevecht met nimf (Sala Caldaie).

In dit museum hebben klassieke en industriële archeologie elkaar gevonden.