Press "Enter" to skip to content

Santa Maria del Popolo

Op het terrein waar eens het familiegraf van de Domitii Ahenobarbi lag (ook keizer Nero zou hier zijn begraven na zijn zelfmoord op 9 juni 68), is in 1099 door paus Paschalis II (1099-1118) een kapel voor maagd Maria opgericht, in 1229 onder paus Gregorius IX uitgebreid. Deze kreeg de bijnaam del popolo (‘van het volk’), omdat de oprichting vnl. door het volk (en niet door de adel) werd gefinancieerd (dat geld kwam uit de buit van de eerste kruistocht uit 1099).

Een variant op het verhaal vertelt dat de kerk genoemd zou zijn naar de populier (Lat. populus) die hier op het graf van Nero zouden hebben gestaan en over kwade geesten beschikte. Paus Paschalis II liet de populier omhakken.

De kerk  (Augustijner orde) zelf stamt uit 1472 en is een van de weinige voorbeelden van renaissancistische architectuur in Rome. Het was vooral paus Sixtus IV (oorspr. Francesco della Rovere, 1471-1484) die de impuls gaf tot de bouw (o.l.v. van Andrea Bregno (1472-1477).

Het stemma boven de hoofdingang laat het wapen van de Chigi zien, omdat paus Alexander VII (Chigi) Bernini de façade heeft laten moderniseren; ook de kandelabers op het tympanon zijn naar Bernini’s ontwerp. Aan het interieur van de kerk hebben Bramante, Raffaello en Bernini hun bijdrage geleverd. De achthoekige vorm van de koepel was in de 15de eeuw een noviteit.

De eerste kapel meteen rechts van de ingang in de Santa Maria del Popolo (zuidelijke wand) is de capella della Rovere en in 1488-1490 (miss. vóór 1482) met fresco’s beschilderd door Pinturicchio. De kapel is gewijd aan de maagd Maria en de heilige Hiëronymus. De bouw ervan wordt toegeschreven aan de Lombardijn Andrea Bregno. Op de grote wand is een natività (aanbidding van het Christuskindje) te zien; de kapel wordt daarom ook wel capella del Presepio (presepio is Italiaans voor “kerststal”) genoemd. De flankerende pilaren laten een vroeg voorbeeld van grotesken zien (de Domus Aurea was niet zo lang geleden ontdekt en Pinturicchio zou die zelf hebben bezocht).

Aanbidding van het kindje Jezus (natività) door Pinturicchio in de capella della Rovere.

In de kapel liggen kardinaal Cristoforo della Rovere begraven (gestorven in 1478 of 1483, zie graftombe links, werk van Andrea Bregno; het lunet met voorstelling van Maria en kind is van Mino da Fiesole) en kardinaal Giovanni da Castro (gestorven in 1506, zie graftombe rechts, werk van Francesco da Sangallo). Deze is jaren later bijgezet en zijn monument dekt een fresco van Pinturicchio af.

DOMINICVS RVVERE CARD. S. CLEMENTIS CAPELLAM MARIAE VIRG. GENETRICI DEI AC DIVO HIERONYMO DICAVIT.
“Domenico Rovere, kardinaal van de heilige Clemens heeft de kapel gewijd aan maagd Maria, moeder Gods, en de goddelijke Hiëronymus.”
(wij-inscriptie onder altaar in de capella della Rovere)

De derde kapel in de rechter zijbeuk van de kerk is eveneens gewijd aan de heilige Hiëronymus. Schilderingen zijn gemaakt door (het atelier van) Pinturicchio; aan de onderzijde zijn grisailles (schilderingen in grijstinten) aangebracht. Het werk is in opdracht gegeven in 1484 door kardinaal Girolamo Basso della Rovere.   

De vierde kapel in de rechter zijbeuk was in bezit van kardinaal Domenico della Rovere, maar werd in 1488 aangekocht door kardinaal Giorgio Costa. Het altaar is het werk van Gian Cristoforo Romano uit ongeveer 1505 en de figuren beelden de heiligen Vincens, Catherina van Alexandrië en Antonius van Padova uit.

Voor het altaar is het grafmonument van kardinaal Pietro Foscari, een werk van Giovanni di Stefano uit 1480. Het grafmonument heeft ooit in de niet meer bestaande Cappella Foscari een plek gehad. Tegen de linker wand bevindt zich het grafmonument van kardinaal Giorgio Costa (werk van leerlingen van Andrea Bregno). De lunetten in het gewelf zijn van leerlingen van  Pinturicchio. Op de vloer ligt de grafsteen van bisschop Giorgio Bracharin (school van Pollaiolo, 1431-1498.

In het koor (presbyterium) zijn tegenover elkaar in de wanden de grafmonumenten te zien van de kardinalen Ascanio Sforza (1455-1505, op 28 mei overleden aan de pest) en Girolamo Basso (della Rovere), beide het werk van de beeldhouwer Andrea Sansovino, in opdracht van paus Julius II (Giuliano della Rovere, 1443-1513). Deze heeft een voor zijn tijd revolutionaire voorstelling van gemaakt, want de kardinalen zijn hier afgebeeld alsof zij in alle rust een middagdutje doen. De grafmonumenten zijn tot stand gekomen in de jaren 1505-1507.

Het koor (inclusief apsis en triomfboog) is begin 16de eeuw door Bramante gereconstrueerd in opdracht van paus Alexander VI (Borgia, 1431-1503). Het plafond laat de kroning van de Maria zien, werk van Pinturicchio; het is een fresco dat de indruk van een mozaïek moet wekken. De gebrandschilderde ramen stammen uit 1508 en zijn het werk van Guillaume de Marcillat (1470-1529).

In de 17de eeuw is het zicht op het koor onttrokken door het barokke altaar dat kardinaal Antonio Sauli (1541-1623) heeft laten plaatsen; het oorspronkelijke altaar van Andrea Bregno is naar de sacristie verplaatst.

Caravaggio, Kruisiging van Petrus.

De kapel links van het koor in de Santa Maria del Popolo is aangekocht in 1600 door Tiberio Cerasi, schatmeester van paus Clemens VIII (Aldobrandini). Hier hangen twee topstukken uit het oeuvre van Caravaggio (voluit geheten Michelangelo Merisi da Caravaggio): de bekering van Paulus op weg naar Damascus en de kruisiging van Petrus. Op het eerste schilderij (rechter wand) zie je Paulus op de grond liggen, gevallen van zijn paard en zijn armen ten hemel heffend, want God heeft hem zojuist in een visoen het ware geloof laten zien. Het tweede schilderij (linker wand) laat zien hoe Petrus, op eigen verzoek met het hoofd naar beneden, door zijn beulen wordt gekruisigd.

Caravaggio, Bekering van Paulus.

De schilderijen betreffen een tweede versie; de eerste versie (alleen die van de bekering van Paulus bestaat nog; de opzet is geheel anders en vooral drukker) is op cypressenhout gemaakt en door opdrachtgever Tiberio Cerasi afgekeurd. De definitieve versie heeft hij nooit gezien door zijn vroegtijdige dood.

Het altaarstuk (Maria ten Hemelvaart) en de plafond-schildering (vier evangelisten en kroning van Maria) zijn van de hand van Annibale Carracci.

Het linker transept. in de Santa Maria del Popolo is in barokke stijl door Gian Lorenzo Bernini heringericht. Hij heeft ook het altaar ontworpen, spiegelbeeldig aan dat in het rechter transept.   

Belangrijkste bezienswaardigheden

(raadpleeg plattegrond hieronder voor de legenda)

1. voorgevel, 2. middenschip, 3. Cappella della Rovere (Bregno, Pinturicchio), 4. Cappella Cybo, 5. Cappella Basso della Rovere (Bregno, Pinturicchio), 6. Cappella Costa, 7. rechter transept. (ontw. Bernini), 8. Capella di S. Rita da Cascia, 9. Cappella S. Tomaso di Villanova, 10. koor & triomfboog (Bramante, Pinturicchio, Guillaume de Marcillat, Sansovino), 11. koepel (Raffaele Vanni), 12. Capella Cerasi (Carracci, Caravaggio), 13. Cappella Theodoli, 14. linker transept. (ontw. Bernini, Raggi), 15. Cappella del Crocifisso (Luigi Gentile da Bruxelles), 16. Cappella Mellini (Algardi), 17. Cappella Chigi (ontw. Raffaello, Daniël & Habakuk & grafmonumenten van de Chigi’s door Bernini, altaarstuk door Sebastiano del Piombo (vriend van Michelangelo), Jonas & Elias door Lorenzetto (gezicht van Jonas is kopie van Antinoüs Farnese), 18. Monumento Odelaschi (Paolo Posi, laat-barok, leeuw bestijgt berg om de vereniging te symboliseren van de families Odescalchi & Chig, 19. Cappella Montemirabile (atelier Andrea Bregno), 20. binnenzijde façade (engelen zijn ontwerp van Bernini).

 

De kerk ligt pal tegen de Porta del Popolo. Het is de meest noordelijk poort van Rome, gelegen aan de Piazza del Popolo vanwaaruit je over de Via del Corso het centrum van de stad bereikt. Aan de bouw van de poort is begonnen in 1561; architect is Vignola (naar ontwerp van Michelangelo), opdrachtgever is paus Sixtus IV (della Rovere).

Ter gelegenheid van de komst van koningin Christina van Zweden in 1655 gaf paus Alexander VII (Borgia, zie stemma boven de poort met tekst: felici faustoque evento, “ter gelegenheid een gelukkige en voorspoedige gebeurtenis”) Bernini de opdracht voor een nieuw ontwerp. Oorspronkelijk werd de poort geflankeerd door twee vierkante torens, die in 1877 plaats moesten maken voor twee extra doorgangen.

Die twee torens stonden op de plaats waar in Romeinse tijd ook twee (maar dan ronde) torens hebben gestaan, als onderdeel van de Aureliaanse muur. In die tijd mondde de Via Flaminia via de Porta Flaminia uit op het noordelijk deel van de stad.



Twee foto’s van de Piazza del Popolo uit ca. 1890; rechts de Santa Maria del Popolo, op de achtergrond de Porta Flaminia, op de voorgrond de obelisk van farao Ramses II uit Heliopolis. De trambaan bestaat niet meer.