Press "Enter" to skip to content

Domus Aurea

De Domus Aurea (het Gouden Huis)  werd na de grote brand van Rome in 64 na Christus gebouwd op de ruïnes van de afgebrande gebouwen. Dit grootste en duurste paleis van de oudheid werd gebouwd in opdracht van keizer Nero (54-68 na Christus) en onder leiding van zijn architecten Severus en Celer. Het oudere paleis op de Palatijn beviel Nero niet meer en was aan vervanging toe. Het strekte zich uit van de Palatijn tot de Esquilijn en de Caelius. De oostvleugel werd gebruikt voor openbare recepties, de westvleugel was Nero’s woonhuis. De bouwmeesters hadden de Egyptisch-Oosterse bouwkunst als voorbeeld genomen. Kosten noch moeite werd gespaard om het project te voltooien.

Huidige ingang van de Domus Aurea.

Het gebouw dankt zijn naam aan het goud (en de edelstenen) dat deel uitmaakte van de rijke versiering van de wanden en de plafonds. Maar vooral de bijzondere vormgeving van de gewelven en de vele doorkijkjes – overal was er uitzicht op pleinen en weiden – moet een spectaculaire aanblik hebben opgeleverd. De geschiedschrijver Suetonius (75-150 na Christus) geeft in zijn biografie over keizer Nero enig idee van de enorme afmetingen van het paleis. Het had een grote voorhal waarin een 40 meter hoog bronzen beeld van de keizer was opgesteld: de Colossus Neronis, een werk van de Griek Zenodoros.

Vestibulum eius fuit, in quo colossus CXX pedum staret ipsius effigie.
‘De hal ervan was zodanig dat er een 120 voet hoog standbeeld kon staan dat hemzelf voorstelde.’
(Suetonius, Leven van Nero 31.2)

Gang met diverse vertrekken in de Domus Aurea (situatie december 2003).

De vertrekken werden verbonden door een gang van honderden meters lengte en met een breedte van drie rijen zuilen. Binnen het complex bevond zich een groot kunstmatig meer, waar de keizer regelmatig feestjes gaf, waarbij op boten werd gedineerd en vrouwen van adel op de wal zich prostitueerden.

Een vertrek in de Domus Aurea met de gaten voor de balken die de vloeren steunden van latere appartementen. 

Dezelfde Suetonius vertelt dat de wanden en plafonds van alle zalen verguld waren en met edelstenen en parelmoer ingelegd. Fabullus (de ‘Rembrandt’ van zijn tijd) was verantwoordelijk voor de fresco’s aan het plafond van de zalen in het centrale gedeelte van het paleis. In de eetzalen kregen de gasten van tijd tot tijd geparfumeerde bloemblaadjes over zich heen gestrooid die via luiken boven hun hoofden vanuit het plafond naar beneden dwarrelden. De banketzaal had een achthoekige vorm en een koepel van hout die dag en nacht ronddraaide en zo het heelal voorstelde. De zaal bevatte baden met stromend water uit de zee of de Tiber en baden met zwavelhoudend water.

Gedeelte van de zgn. Sala Ottagono, ‘achthoekige zaal’ (detail met nymphaeum) in de Domus Aurea.

Toen het Gouden Huis klaar was en keizer Nero het liet inwijden, keurde hij het in zoverre goed, dat hij zei, dat hij eindelijk een behoorlijk onderkomen had of, zoals Suetonius het verwoordt:

Eius modi domum cum absolutam dedicaret, hactenus comprobavit, ut se diceret quasi hominem tandem habitare coepisse.
‘Toen het huis zo werd opgeleverd en hij het inwijdde, was hij er in zoverre lovend over, dat hij zei dat hij eindelijk zich er als mens begon thuis te voelen.’
(Leven van Nero 31.2)

Nero pleegde in 68 zelfmoord, maar zijn opvolger Otho besteedde in datzelfde jaar nog een forse som geld om het bouwwerk af te maken. De meeste inwoners van de stad hadden echter wel genoeg van Nero en wilden zijn sporen uitwissen. Vooral zijn grootheidswaanzin stoorde hen: het gezicht van de Colossus Neronis, die de zonnegod Hèlios moest verbeelden, leek wel erg veel op de keizer. Keizer Vespasianus (69-79) liet om verdere ergernis te voorkomen het hoofd vervangen door dat van de god Apollo.

Portretbuste van keizer Nero (Capitolijnse Musea).

De keizers na Nero probeerden de Romeinen terug te geven wat hij hen had afgepakt. Zo is het Gouden Huis een tijd lang gebruikt als een soort appartementencomplex waarin meerdere gezinnen konden wonen. Vespasianus stelde grote stukken van het terrein open voor het publiek. Op de plaats van het meer verrees het Amphitheatrum Flavium. Bovenop de benedenverdieping van het deel van het Gouden Huis dat door Vespasianus werd gespaard, zijn de Thermen van Titus (en later die van Traianus) gebouwd. Keizer Domitianus (81-96) liet Nero’s paleis op de Palatijn afbreken. Tenslotte gaf keizer Hadrianus (117-138) opdracht de enorme voorhal af te breken en er de Tempel van Venus en Roma op te richten.

De Domus Aurea is duizenden jaren later ontdekt door arbeiders die aan het eind van de 15de eeuw op de heuvel Oppius tot enkele gangen van het paleis doordrongen. De ‘onderaardse’ gewelven bleken versierd met fresco’s en stucwerk. Ze noemden de ruimten grotte (‘grotten’) en de versieringen grotesken (‘grottekeningen’, in de kunstgeschiedenis een benaming voor grillige of fantastische figuren). Deze versieringen werden bestudeerd door kunstenaars die bij hun bezoek aan de ruimten hun namen in de plafonds hebben gekrast of met het roet van hun fakkels hebben beschreven. De grotesken hebben kunstenaars als Rafaël (bijv. de versieringen van de stanze in het Vaticaan) en Michelangelo geïnspireerd. Maar het belangrijkste is eigenlijk dat dit de eerste gekleurde afbeeldingen waren die ons iets vertellen over de wandschilderkunst in de oudheid.

Plafond in de Domus Aurea met voorstelling van Odysseus en Polyphemos (detail fresco).

Uit het Gouden Huis zijn meer dan 25 beeldhouwwerken tevoorschijn gekomen. De belangrijkste vondst werd gedaan in 1506. De eigenaar van het erboven liggende terrein vond een beeldengroep met de voorstelling van twee jongens met hun vader die door een slang worden gewurgd. De beeldengroep werd door deskundigen onmiddellijk herkend als de door Plinius de Oudere (Naturalis Historia 36.37) beschreven Laokoöngroep uit de thermen van Titus, een meesterwerk uit het Rhodische atelier van Hagesandros, Polydoros en Athanadoros. Het beeld werd door paus Julius II gekocht en naar het Belvedere in het Vaticaan overgebracht. In 1515 werd het door Frankrijk als oorlogsbuit opgeëist, maar het Vaticaan weigerde het af te staan en liet een kopie ervan maken. Noch het origineel, noch de kopie hebben Frankrijk bereikt. In 1797 werd het door Napoleon alsnog als oorlogsbuit meegenomen en ondergebracht in het Louvre in Parijs. Maar na de val van Napoleon kwam het terug in het Vaticaan.

De Laokoöngroep, gevonden in de thermen van Titus (Vaticaanse Musea).

De ruïnes van het Gouden Huis liggen dus diep onder de restanten van de thermen van Traianus. Men kon het vroeger bezichtigen, maar door aardverschuivingen is het instortingsgevaar te groot. Eind jaren negentig van de vorige eeuw is men begonnen het complex (gedeeltelijk) toegankelijk te maken voor het publiek. Langdurige regenval in november en december 2005 hebben delen van het plafond losgeweekt en ervoor gezorgd dat de Domus Aurea weer voor langere tijd gesloten is.

Sinds kort kan (slechts een gedeelte van) het complex alleen op zaterdag en zondag van 09:00 tot 17:00 onder strikte begeleiding worden bezocht. Hier vind je nadere informatie.